_Anders._
Niet kunnen bestaan is een teeken van onmacht, wel kunnen bestaan
daarentegen is een teeken van macht (gelijk vanzelf spreekt).
Waar nu de dingen welke thans reeds met noodwendigheid bestaan,
niets anders dan eindige wezens zijn, zouden dus eindige wezens
machtiger zijn dan het volstrekt oneindige wezen: en dit is
(_gelijk vanzelf spreekt_) ongerijmd; derhalve: òf er bestaat
niets, òf er bestaat ook met noodwendigheid een volstrekt
oneindig wezen. Maar wijzelf althans bestaan, hetzij in onszelf,
hetzij in iets anders dat noodwendig bestaat (_zie Ax. I en St.
VII_). Derhalve bestaat het volstrekt oneindige wezen, d.w.z. God
(_vlg. Def. VI_) ook noodwendig. H.t.b.w.
_Opmerking:_ In deze laatste bewijsvoering heb ik Gods
bestaan a posteriori[A11] willen aantoonen, opdat het
bewijs gemakkelijker kon worden begrepen; niet echter
daarom wijl Gods bestaan niet ook a priori[A12] uit
hetzelfde beginsel ware af te leiden. Want, aangezien
bestaan kunnen een teeken van macht is, volgt hieruit dat
hoemeer werkelijkheid aan een of andere zaak toekomt, des
te meer vermogen zij in zichzelf heeft om te kunnen
bestaan. Derhalve moet ook het volstrekt oneindige wezen,
ofwel God, in zichzelf een volstrekt oneindig vermogen
hebben om te bestaan en moet hij dus ook onvermijdelijk
bestaan. Misschien echter zullen velen niet licht de
klaarblijkelijkheid van dit bewijs kunnen inzien, omdat
zij gewoon zijn slechts die dingen te beschouwen welke
uit uiterlijke oorzaken voortvloeien; van deze dingen nu
zien zij diegene welke snel gevormd worden, dat wil
zeggen welke gemakkelijk ontstaan, ook weer gemakkelijk
te niet gaan; terwijl zij daarentegen die dingen, van
welke zij zien dat er meer bij te pas komt, moeilijker te
maken oordeelen, dat wil zeggen niet zoo gemakkelijk tot
bestaan te brengen. Maar werkelijk, om hen van deze
vooroordeelen te bevrijden, behoef ik hier niet aan te
toonen in hoeverre het spreekwoord: "wat ras ontstaat,
ras vergaat" waar is en evenmin of niet soms, indien men
de geheele Natuur beschouwt, alles even gemakkelijk of
moeilijk ontstaat. Het is voldoende alleen dit op te
merken, dat ik hier niet spreek over dingen welke uit
uitwendige oorzaken voortvloeien, doch uitsluitend over
substanties, welke (_vlg. St. VI_) door geen enkele
uitwendige oorzaak kunnen worden voortgebracht. Dingen
immers, welke uit uitwendige oorzaken voortkomen, hebben,
onverschillig of zij uit vele, danwel uit weinige deelen
bestaan, al wat zij aan volmaaktheid of werkelijkheid
bezitten, te danken aan de werking dier uitwendige
oorzaak, zoodat hun bestaan alleen uit de volmaaktheid
dier uitwendige oorzaak, niet echter uit hunne eigene
ontspringt. Daarentegen is de substantie, wat zij van
volmaaktheid bezit, aan geen enkele uitwendige oorzaak
verschuldigd, zoodat ook haar bestaan uit eigen aard
alleen moet volgen en dus niets anders is als haar wezen
zelf. Volmaaktheid heft dus het bestaan van een ding niet
op, maar integendeel, zij vooronderstelt het;
onvolmaaktheid daarentegen kan het opheffen; en derhalve
kunnen wij van het bestaan van géén ding zekerder zijn
dan van het bestaan van het volstrekt oneindige of
volmaakte wezen, dat is God. Want aangezien diens wezen
alle onvolmaaktheid uitsluit, maar de volstrekte
volmaaktheid insluit, heft het daardoor alle aanleiding
tot twijfel omtrent zijn bestaan op en geeft het
hieromtrent de grootst mogelijke zekerheid; hetgeen naar
ik geloof, voor elk die maar even oplet, duidelijk zal
zijn.
_Stelling XII._
Geen attribuut eener substantie kan naar waarheid zoodanig worden
beschouwd, dat de deelbaarheid dier substantie hieruit zou kunnen
worden afgeleid.
_Bewijs._
Immers de deelen in welke een aldus gedachte substantie verdeeld
zou kunnen worden, zullen òf den aard dier substantie behouden òf
niet. In het eerste geval zou (_vlg. St. VIII_) elk dier deelen
oneindig moeten zijn en (_vlg. St. VI_) zijns zelfs oorzaak,
terwijl zij (_vlg. St. V_) elk uit een ander attribuut zouden
moeten bestaan; derhalve zouden er uit één substantie meerdere
gevormd kunnen worden, hetgeen (_vlg. St. VI_) ongerijmd is. Voeg
hierbij dat deze deelen (_vlg. St. II_) niets gemeen zouden
hebben met hun geheel en het geheel (_vlg. Def. IV en St. X_)
zonder zijn deelen zoowel zou kunnen bestaan als begrepen worden,
dan zal niemand kunnen twijfelen aan de ongerijmdheid hiervan.
Stellen wij echter het tweede geval, namelijk dat de deelen den
aard dier substantie nìet behielden, zoo zou de substantie,
wanneer zij in gelijke deelen verdeeld werd, haren aard verliezen
en ophouden te bestaan, hetgeen (_vlg. St. VII_) ongerijmd is.
_Stelling XIII._
De volstrekt oneindige substantie is ondeelbaar.
_Bewijs._
Immers indien zij deelbaar ware, zouden de deelen waarin zij
verdeeld kon worden òf den aard der volstrekt oneindige
substantie behouden òf niet. In het eerste geval zouden er dus
meerdere substanties van denzelfden aard bestaan, hetgeen (_vlg.
St. V_) ongerijmd is. Indien het tweede ondersteld werd, zou het
mogelijk worden (_zie hierboven_) dat de volstrekt oneindige
substantie ophield te bestaan, hetgeen (_vlg. St. XI_) eveneens
ongerijmd is.
_Gevolg:_ Hieruit volgt dat geen enkele substantie en
bijgevolg geen enkele lichamelijke substantie, deelbaar
is voorzoover zij een substantie is.
_Opmerking:_ Dat een substantie ondeelbaar is, kan op nog
eenvoudiger wijze worden ingezien alleen reeds hieruit,
dat de aard eener substantie niet anders dan als oneindig
gedacht kan worden en dat men zich een deel eener
substantie niet anders kan denken dan als een eindige
substantie, hetgeen (_vlg. St. VIII_) een
klaarblijkelijke tegenstrijdigheid in zich sluit.
_Stelling XIV._
Buiten God kan geen andere substantie bestaan noch gedacht
worden.
_Bewijs._
Daar God (_vlg. Def. VI_) het volstrekt oneindige wezen is, aan
wien geen enkel attribuut dat het wezen eener substantie uitdrukt
kan worden ontzegd, en daar hij (_vlg. St. XI_) noodwendig
bestaat, zou, indien er eenige andere substantie buiten God
bestond, deze uit een of ander attribuut Gods verklaard moeten
worden, zoodat er twee substanties met hetzelfde attribuut zouden
bestaan, hetgeen (_vlg. St. V_) ongerijmd is; derhalve kan er
geen enkele substantie buiten God bestaan, bijgevolg evenmin
gedacht worden. Want als zij denkbaar was, moest zij noodzakelijk
gedacht worden als bestaande en dit is (_volgens het eerste
gedeelte van dit bewijs_) ongerijmd. Dus kan er buiten God geen
andere substantie bestaan noch gedacht worden. H.t.b.w.
_Gevolg I:_ Hieruit volgt eerstens ten duidelijkste dat
God eenig is, dat wil zeggen (_vlg. Def. VI_) dat er in
de wereld der dingen niet anders dan één substantie
bestaan kan en dat deze volstrekt oneindig is, gelijk wij
in de Opmerking bij Stelling X reeds aanduidden.
_Gevolg II:_ Ten tweede volgt er uit dat het Uitgebreide
en het Denkende òf attributen van God zijn, òf (_vlg. Ax.
I_) openbaringen van Gods attributen.
_Stelling XV._
Al wat is, is in God en niets is zonder God bestaanbaar noch
denkbaar.
_Bewijs._
Buiten God kan (_vlg. St. XIV_) geen substantie bestaan noch
gedacht worden; d.w.z. (_vlg. Def. III_) geen ding dat op
zichzelf bestaat en uit zichzelf begrepen kan worden.
Bestaanswijzen evenwel kunnen (_vlg. Def. V_) zonder een
substantie noch bestaan noch gedacht worden, zoodat deze
uitsluitend hieruit begrepen kunnen worden. Maar buiten
substantie en bestaanswijzen is er niets (_vlg. Ax. I_). Derhalve
is niets zonder God bestaanbaar noch denkbaar. H.t.b.w.
_Opmerking:_ Er zijn lieden, die zich verbeelden dat God,
evenals een mensch, uit een lichaam en een ziel bestaat
en onderhevig is aan hartstochten[A13]; hoeverre deze
evenwel van de ware kennisse Gods afdwalen blijkt
voldoende uit het reeds betoogde. Doch hen ga ik voorbij:
immers allen die op eenigerlei wijze over het wezen der
godheid hebben nagedacht, ontkennen dat God lichamelijk
is. Hetwelk zij zelfs zeer goed bewijzen hieruit, dat wij
onder een lichaam verstaan een of andere grootheid, met
lengte, breedte en diepte en door een bepaalden vorm
begrensd; ongerijmder dan hetwelk niets van God, te weten
het volstrekt oneindige wezen, gezegd zou kunnen worden.
Maar niettemin laten zij anderzijds uit andere gronden,
waarop zij hetzelfde trachten te bewijzen, ten
duidelijkste blijken dat zij een lichamelijke of
uitgebreide substantie geheel vreemd aan Gods wezen
achten, maar deze als door hem geschapen beschouwen.
Waarùit evenwel het goddelijk vermogen haar zou hebben
kunnen scheppen, weten zij wederom niet te zeggen;
waaruit duidelijk blijkt dat zij datgene, wat zijzelf
beweren niet begrijpen. Ik heb tenminste, naar mij dunkt,
duidelijk genoeg bewezen (_zie Gevolg St. VI en Opmerking
II bij St. VIII_) dat géén substantie door iets anders
kan worden voortgebracht of geschapen. Wijders hebben wij
in Stelling XIV aangetoond dat er buiten God geen
substantie bestaanbaar noch denkbaar is en daaruit
maakten wij de gevolgtrekking dat de Uitgebreidheid één
der oneindig vele attributen Gods is. Nochtans zal ik,
tot vollediger verduidelijking, de gronden mijner
tegenstanders weerleggen. Zij komen alle hierop neer:
_Ten eerste:_ dat de lichamelijke substantie, voor zoover
zij substantie is, naar hunne meening uit deelen bestaat,
en daarom ontkennen zij dat deze oneindig zijn en
dientengevolge tot Gods wezen behooren kan. En dit
lichten zij toe met vele voorbeelden, van welke ik er
enkele zal aanhalen. Indien de lichamelijke substantie,
zoo zeggen zij, oneindig is, stelle men zich haar eens
voor verdeeld in twee deelen; elk dier deelen zal dan òf
eindig òf oneindig zijn. In het eene geval zou dus het
oneindige uit twee deelen bestaan, hetgeen ongerijmd is.
In het andere zou er iets oneindigs bestaan, twee maal
zoo groot als iets anders dat óók oneindig was; hetgeen
eveneens ongerijmd is.
_Vervolgens:_ indien men een oneindige grootheid[A14]
uitmeet in deelen van een voet, zal zij uit een oneindig
aantal van dergelijke deelen moeten bestaan; hetzelfde
zal echter ook het geval zijn indien men haar verdeelt in
stukken van een duim; derhalve zou het eene oneindige
aantal twaalf maal zoo groot zijn als het andere
oneindige aantal.
_Tenslotte:_ Indien men zich voorstelt dat uit een punt A
van een of andere oneindige grootheid twee lijnen, AB en
AC, waarbij B en C aanvankelijk op meetbaren afstand van
elkaar liggen, tot in het oneindige verlengd worden, zoo
is het zeker dat de afstand tusschen B en C steeds zal
toenemen en eindelijk van bepaald onmeetbaar zal worden.
Daar nu, naar zij meenen, deze ongerijmdheden het gevolg
zijn van de onderstelling eener oneindige grootheid,
maken zij hieruit de gevolgtrekking dat de lichamelijke
substantie eindig moet zijn en dientengevolge niet tot
Gods wezen kan behooren.
Een tweede bewijsvoering gaat eveneens uit van Gods
opperste volmaaktheid. Immers God, zoo zeggen zij, het
meest volmaakte wezen, kan niet lijden: evenwel kan de
lichamelijke substantie, daar zij deelbaar is, wèl
lijden; waaruit dus volgt dat zij niet tot Gods wezen
behoort.
Deze zijn de bewijsvoeringen welke ik bij verschillende
schrijvers vind en door welke zij trachten aan te toonen
dat de lichamelijke substantie het goddelijk wezen
onwaardig is en daartoe niet kan behooren. Maar
inderdaad, wie goed heeft opgelet, zal inzien dat ik
hierop eigenlijk reeds heb geantwoord; aangezien deze
bewijzen slechts hierop berusten dàt zij vooronderstellen
dat de lichamelijke substantie uit deelen bestaat,
waarvan ik de ongerijmdheid reeds heb aangetoond. (_Zie
St. XII en Gevolg St. XIII_). Wie vervolgens de zaak
behoorlijk overweegt, zal bevinden dat al die
ongerijmdheden (indien zij overigens alle ongerijmd zijn,
waarover ik hier niet wil twisten), waaruit zij bewijzen
willen dat de uitgebreide substantie eindig is,
allerminst dááruit volgen dat men een oneindige grootheid
onderstelt: maar dat zij een _meetbare_ en uit eindige
deelen bestaande oneindige grootheid onderstellen. Daarom
ook mogen zij uit de ongerijmdheden die hieruit volgen,
niets anders besluiten dan dat een oneindige grootheid
_niet_ meetbaar is en dat zij niet uit eindige deelen kan
bestaan. Maar dit is hetzelfde als wat wij hierboven
reeds hebben uiteen gezet (_zie St. XIII enz._). Zoodat
zij met het wapen dat zij op ons richten, zichzelf
treffen. Indien zij dus uit deze hunne ongerijmdheid
nochtans willen afleiden dat de uitgebreide substantie
eindig moet zijn, gedragen zij zich waarlijk niet anders
dan iemand die, omdat hij zich verbeeldt dat een cirkel
de eigenschappen van een vierkant heeft, de
gevolgtrekking maakt dat een cirkel geen middelpunt
bezit, vanwaar uit alle lijnen naar den omtrek getrokken
even lang zijn. Want de lichamelijke substantie, welke
niet dan oneindig, niet dan eenig en niet dan ondeelbaar
gedacht kan worden (_Zie St. VIII, V en XII_), stellen
zij zich, terwille van hun gevolgtrekkingen, voor als
eindig, uit eindige deelen bestaande, veelvoudig en
deelbaar. Zoo zijn er anderen die, nadat zij zich eenmaal
hebben verbeeld dat een lijn is samengesteld uit punten,
tal van bewijzen weten aan te voeren om aan te toonen dat
een lijn niet tot in het oneindige kan worden verdeeld.
Maar inderdaad is het niet ongerijmder te
vooronderstellen dat de lichamelijke substantie uit
lichamen of deelen is samengesteld, dan dat een lichaam
uit vlakken, een vlak uit lijnen en tenslotte een lijn
uit punten is opgebouwd. Dit zullen allen die weten dat
een heldere redeneering onbedriegelijk is, moeten
toegeven en allereerst zij die erkennen dat er geen ledig
bestaat. Want indien de lichamelijke substantie aldus
verdeeld kon worden en hare deelen in werkelijkheid van
elkaar gescheiden waren, waarom zou dan niet één deel
vernietigd kunnen worden en de overige toch, evenals
daarvoor, met elkaar verbonden blijven? En waarom zouden
zij zich alle zoodanig aan elkaar voegen dat er geen
ledig ontstond? Het is duidelijk dat van dingen, die
werkelijk van elkaar afgescheiden zijn, het eene zonder
het andere kan bestaan en in zijn bestaan volharden. Waar
nu evenwel in de Natuur geen ledig bestaan kan (waarover
elders), waar alle deelen zoodanig moeten samenwerken dat
er geen ledig gevormd worde, volgt hieruit ook dat deze
deelen niet werkelijk kunnen worden gescheiden, dat wil
zeggen dat de lichamelijke substantie, voorzoover zij
substantie is, niet verdeeld kan worden. Indien nu toch
iemand vroeg, waarom wij dan van nature zoo geneigd zijn
een grootheid te verdeelen, zoo zou ik hem antwoorden dat
een grootheid door ons op twee wijzen wordt opgevat, te
weten abstract[A15] en oppervlakkig, zooals wij ons haar
nl. voorstellen[A16], òf als een substantie, hetgeen
uitsluitend door de Rede geschiedt. Indien wij dus letten
op een grootheid zooals zij zich voordoet in onze
voorstelling, hetgeen dikwijls en het gemakkelijkst door
ons gedaan wordt, zal zij eindig, deelbaar en uit deelen
samengesteld bevonden worden; indien wij haar echter
beschouwen zooals zij in ons verstand is en haar opvatten
als een substantie, wat zeer moeilijk is, dan zal
zij--gelijk wij reeds voldoende aantoonden--oneindig,
eenig en ondeelbaar bevonden worden. Hetgeen allen die
weten te onderscheiden tusschen voorstelling en verstand,
duidelijk genoeg zal zijn, vooral indien men er ook op
let dat de stof overal dezelfde is en dat er geen deelen
in haar te onderscheiden vallen, tenzij voorzoover wij
ons de stof op verschillende wijzen gewijzigd denken, en
welk geval wij die deelen slechts als bestaansvormen
onderscheiden maar niet wezenlijk. Zoo beschouwen wij
bijvoorbeeld water, voor zoover het water is, als
deelbaar en zijn deelen als van elkaar afzonderbaar; niet
echter voorzoover het lichamelijke substantie is, als
zoodanig immers kan het noch gescheiden, noch verdeeld
worden. Voorts kan water, voorzoover het water is
ontstaan en vergaan, terwijl het als substantie noch
ontstaat noch vergaat. En hiermede geloof ik ook op het
tweede bewijs geantwoord te hebben; aangezien ook dit
gegrond was op de onderstelling dat de stof, als
substantie, deelbaar en uit deelen samengesteld zou zijn.
Doch al ware dit alles ook niet zooals ik zeg, dan
begrijp ik nog niet waarom de lichamelijke substantie het
goddelijk wezen onwaardig zou zijn: aangezien er toch
(_vlg. St. XIV_) buiten God geen substantie bestaan kan
aan welke hij onderworpen zou kunnen zijn. Alles, zeg ik,
is in God en al wat geschiedt, geschiedt uitsluitend
krachtens de wetten van Gods oneindige wezen en vloeit
uit de noodwendigheid daarvan voort (hetgeen ik straks
zal aantoonen); zoodat er geen enkele reden bestaat om te
zeggen dat God aan iets anders onderworpen zou zijn of
dat de uitgebreide substantie den goddelijken aard
onwaardig ware, zelfs al werd zij verondersteld deelbaar
te zijn, zoolang men haar slechts als eeuwig en oneindig
beschouwt. Doch hierover voor het oogenblik genoeg.
_Stelling XVI._
Uit de noodwendigheid van den goddelijken aard moeten oneindig
veel dingen op oneindig vele wijzen voortvloeien, dat is al wat
een oneindig verstand kan omvatten.
_Bewijs._
Deze stelling moet een ieder duidelijk zijn zoo hij er slechts op
let dat het verstand uit de gegeven definitie van eene of andere
zaak verschillende eigenschappen afleidt welke ook in
werkelijkheid uit haar (dat wil zeggen uit het wezen zelf dier
zaak) met noodwendigheid voortvloeien en wel des te meer naarmate
de definitie dier zaak meer werkelijkheid uitdrukt, dat wil
zeggen hoemeer werkelijkheid het wezen der omschreven zaak
insluit. Daar nu de goddelijke aard een volstrekt oneindig aantal
attributen heeft (_vlg. Def. VI_), van welke elk een in zijn
soort oneindig wezen uitdrukt, moeten ook uit Gods noodwendigheid
oneindig veel dingen op oneindig vele wijzen (dat is al wat een
oneindig verstand kan omvatten) noodzakelijk voortvloeien.
H.t.b.w.
_Gevolg I:_ Hieruit volgt dat God van alle dingen welke
een oneindig verstand kan omvatten, de bewerkende
oorzaak[A17] is.
_Gevolg II:_ Er volgt ten tweede uit dat God oorzaak is
uit-zich-zelf en niet slechts toevallig[A18].
_Gevolg III:_ Er volgt ten derde uit dat God de volstrekt
eerste oorzaak is.
_Stelling XVII._
God handelt uitsluitend krachtens de wetten van zijn eigen aard
en door niets genoodzaakt.
_Bewijs._
Dat uit de noodwendigheid van den goddelijken aard alleen, of
(wat hetzelfde is) uitsluitend uit de wetten van dien aard,
onvermijdelijk een oneindig aantal dingen volgt, hebben wij
zooeven in Stelling XVI aangetoond, terwijl wij in Stelling XV
bewezen dat niets zonder God bestaan noch gedacht worden kan,
maar dat alles in God is; zoodat er niets buiten hem zijn kan
waardoor hij tot handelen genoopt of gedwongen kon worden; en zoo
handelt dus God uitsluitend krachtens de wetten van zijn eigen
aard en door niets genoodzaakt. H.t.b.w.
_Gevolg I:_ Hieruit volgt ten eerste dat er geen enkele
oorzaak, behalve de volmaaktheid van zijn eigen aard,
zijn kan, welke God van buiten af of van binnen uit tot
handelen zou aandrijven.
_Gevolg II:_ Er volgt ten tweede uit dat alleen God een
vrije oorzaak is. God immers is het eenige dat krachtens
de noodwendigheid van zijn eigen aard bestaat (_vlg. St.
XI en Gevolg I van St. XIV_) en dat uitsluitend krachtens
de noodwendigheid van zijnen aard handelt (_vlg.
voorgaande St._) en derhalve (_vlg. Def. VII_) is alleen
hij een vrije oorzaak. H.t.b.w.
_Opmerking:_ Sommigen meenen dat God een vrije oorzaak
is, omdat hij, naar zij gelooven, zou kunnen bewerken dat
datgene, hetwelk naar wij zeiden uit zijn aard volgt,
d.w.z. datgene wat in zijn vermogen ligt, _niet_
geschiedde, ofwel _niet_ door hem werd voortgebracht.
Doch dit is hetzelfde alsof zij zeiden dat God kan
bewerken dat uit den aard eens driehoeks niet zou volgen
dat de som zijner driehoeken gelijk is aan twee rechten
of dat uit een gegeven oorzaak geen uitwerking zou
voortvloeien; hetgeen ongerijmd is. Verderop zal ik
zonder behulp van deze stelling aanloonen, dat noch
verstand, noch wil tot Gods aard behooren. Ik weet wel
dat er velen zijn die gelooven te kunnen bewijzen, dat
tot Gods aard het hoogste verstand en een vrije wil
behooren: immers zij kennen niets volmaakters, zoo zeggen
zij bij zichzelf, dat zij aan God zouden kunnen
toeschrijven, dan datgene wat in onszelf het meest
volmaakte is. Maar niettegenstaande zij God opvatten als
werkelijk het hoogste verstand, gelooven zij toch niet
dat hij al wat hij denkt, inderdaad tot bestaan kan
brengen, want zij meenen op deze wijze Gods macht te
verkleinen. Indien hij alles, zoo zeggen zij, wat zijn
verstand bevat, ook werkelijk had geschapen, zou er niets
meer te scheppen zijn, hetgeen zij in strijd achten met
Gods almacht; en daarom nemen zij liever aan dat God ten
opzichte van alle dingen onverschillig is en niets anders
schept dan datgene wat hij in beperkte wil[lekeur]
besluit te scheppen. Ik meen evenwel duidelijk genoeg te
hebben aangetoond (_Zie St. XVI_) dat uit Gods alvermogen
of uit zijn oneindigen aard, oneindig veel dingen op
oneindig veel wijzen, dat wil zeggen alles, met
noodwendigheid voortvloeien of steeds met dezelfde
noodwendigheid volgen; op dezelfde wijze als uit den aard
van den driehoek van eeuwigheid tot eeuwigheid volgt dat
de som zijner drie hoeken gelijk is aan twee rechten.
Daarom is Gods almacht ook werkzaam geweest van alle
eeuwigheid af en zal zij tot in eeuwigheid even werkzaam
blijven. En op deze wijze wordt, ten minste mijns
inziens, Gods almacht veel volmaakter voorgesteld.
Jazelfs schijnen mijn tegenstanders Gods almacht (om het
maar eerlijk te zeggen) te loochenen. Immers zij zijn
gedwongen te erkennen dat God een oneindig aantal
mogelijke schepselen denkt, welke hij nochtans nooit zal
kunnen scheppen. Want anders, namelijk wanneer hij al wat
hij dacht ook schiep, zou hij, volgens henzelf, zijn
eigen macht uitputten en zichzelf onvolmaakt maken. Om
dus te bewijzen dat God volmaakt is, komen zij er toe
tegelijkertijd te betoogen dat hij niet alles kan
uitvoeren waarover zijn vermogen zich uitstrekt;
ongerijmder, of meer in strijd met Gods almacht, dan
hetwelk mij niets te verzinnen lijkt.
Om hier voorts nog iets te zeggen over het verstand en
den wil, welke wij gewoonlijk aan God toekennen: indien
verstand en wil tot Gods eeuwige wezen behooren, moet
onder beide eigenschappen zeker heel iets anders worden
verstaan dan de menschen gewoonlijk doen. Want een
verstand en een wil welke Gods wezen uitmaakten zouden
hemelsbreed van òns verstand en ònzen wil moeten
verschillen; ja, zij zouden in geen enkel opzicht,
behalve in den naam, er mede kunnen overeenkomen, niet
anders bijvoorbeeld dan het sterrebeeld de Hond
overeenkomt met het blaffende dier van dien naam. Wat ik
aldus zal bewijzen: Indien het verstand tot den
goddelijken aard behoort, zal het niet van nature, zooals
òns verstand, later dan (gelijk de meesten meenen) of
gelijktijdig met de erdoor voorgestelde zaken bestaan,
aangezien God krachtens zijne oorzakelijkheid aan alle
dingen voorafgaat (_vlg. Gevolg I van St. XVI_). Maar
integendeel zijn de waarheid en het werkelijke wezen[A19]
der dingen zoo als zij zijn, omdat zij zóó in Gods
verstand objectief[A20] bestonden. Daarom is ook
integendeel Gods verstand, voorzoover het wordt opgevat
als behoorende tot Gods wezen, de oorzaak der dingen,
zoowel van hun wezen als van hun bestaan; hetgeen ook
schijnt te zijn opgemerkt door hen die verzekerden dat
Gods verstand, wil en macht één en hetzelfde zijn.
Indien nu Gods verstand de eenige oorzaak der dingen is
en wel (gelijk wij aantoonden) zoowel van hun wezen als
van hun bestaan, moet het zelf noodzakelijk van deze
dingen verschillen, zoowel ten opzichte van zijn wezen
als ten opzichte van zijn bestaan. Want het veroorzaakte
verschilt van zijn oorzaak juist in datgene wat het van
zijn oorzaak ontvangen heeft. Zoo is bijvoorbeeld een
mensch de oorzaak van het bestaan, niet echter van het
wezen van een anderen mensch; dit immers is een eeuwige
waarheid: en derhalve kunnen zij in hun wezen geheel
overeenkomen, terwijl zij in hun bestaan moeten
verschillen; vandaar dat wanneer het bestaan van den een
te niet gaat, niet tevens dat van den ander te niet zal
gaan; terwijl wanneer het wezen van den een vernietigd
kon worden en valsch kon blijken, ook tevens het wezen
van den ander vernietigd zou zijn. Daarom moet een ding
dat oorzaak is zoowel van het wezen als van het bestaan
van een of andere uitwerking, van een zoodanige
uitwerking verschillen zoowel ten opzichte van zijn wezen
als ten opzichte van zijn bestaan. Maar Gods verstand is
de oorzaak zoowel van het wezen als van het bestaan van
òns verstand: en dus verschilt Gods verstand, voor zoover
het wordt opgevat als behoorende tot het goddelijk wezen,
van òns verstand zoowel ten opzichte van zijn wezen als
ten opzichte van zijn bestaan en kan het in geen enkel
opzicht, behalve in naam er mede overeenkomen; gelijk wij
wilden aantoonen. Wat den wil aangaat kan men denzelfden
bewijstrant volgen, zooals een ieder gemakkelijk zal
inzien.
_Stelling XVIII._
God is de inwonende, niet echter een buitenstaande oorzaak aller
dingen.
_Bewijs._
Al wat is, is in God en moet uit God begrepen worden (_vlg. St.
XV_). Derhalve is God (_vlg. Gevolg I St. XVI_) de oorzaak van de
dingen die in hem zijn. Dit wat het eerste aangaat. Verder kan er
buiten God geen enkele substantie bestaan (_vlg. St. XIV_),
d.w.z. (_vlg. Def. III_) iets dat buiten God op zichzelf zou
bestaan. Dit wat het tweede betreft. God is dus de inwonende,
niet echter een buitenstaande oorzaak aller dingen. H.t.b.w.
_Stelling XIX._
God, of al Gods attributen, zijn eeuwig.
_Bewijs._
God immers is (_vlg. Def. VI_) een substantie, welke (_vlg. St.
XI_) noodwendig bestaat, d.w.z. (_vlg. St. VII_) tot wier aard
het behoort te bestaan, of (wat hetzelfde is) uit wier definitie
haar bestaan zelf volgt, en derhalve is God (_vlg. Def. VIII_)
eeuwig. Vervolgens moet onder Gods attributen verstaan worden
datgene wat (_vlg. Def. IV_) het wezen der goddelijke substantie
uitdrukt, d.w.z. datgene wat tot de substantie behoort; dit
alles, zeg ik, behooren deze attributen in te sluiten. Maar tot
den aard der substantie behoort (_gelijk ik reeds in St. VII heb
aangetoond_) de eeuwigheid; derhalve moet elk dier attributen
eeuwigheid insluiten en dus zijn zij allen eeuwig. H.t.b.w.
_Opmerking:_ Deze stelling is ook zeer duidelijk af te
leiden volgens de wijze waarop ik (_St. XI_) Gods bestaan
bewezen heb; uit dit bewijs, zeg ik, is gebleken dat Gods
bestaan, evenals zijn wezen een eeuwige waarheid is.
Voorts heb ik (_St. XIX Deel I der Beginselen van
Cartesius_)[A21] nog op andere wijze Gods eeuwigheid
bewezen, welk bewijs ik hier niet behoef te herhalen.
_Stelling XX._
Gods bestaan en Gods wezen zijn één en hetzelfde.
_Bewijs._
God en al zijn attributen zijn eeuwig (_vlg. de voorgaande St._)
d.w.z. (_vlg. Def. VIII_) elk zijner attributen drukt bestaan
uit. Dezelfde attributen Gods dus, welke (_vlg. Def. IV_) Gods
eeuwig wezen openbaren, ontvouwen tevens zijn eeuwig bestaan,
d.w.z.: datgene zelf dat het wezen Gods uitmaakt, maakt tevens
zijn bestaan uit, zoodat dus dit en zijn wezen één en hetzelfde
zijn. H.t.b.w.
_Gevolg I:_ Hieruit volgt ten eerste dat Gods bestaan,
evenals zijn wezen, een eeuwige waarheid is.
_Gevolg II:_ Ten tweede volgt er uit dat God of al Gods
attributen onveranderlijk zijn. Want als zij wat betreft
hun bestaan verandering konden ondergaan, zouden zij
tevens (_vlg. de voorgaande St._) ten opzichte van hun
wezen veranderd worden, d.w.z. (_gelijk vanzelf spreekt_)
van waar valsch worden, hetgeen ongerijmd is.
_Stelling XXI._
Al wat uit den aard op zichzelf[A22] van een of ander attribuut
Gods voortvloeit, moet altijd en oneindig hebben bestaan, met
andere woorden: krachtens dit attribuut zelf is het eeuwig en
oneindig.
_Bewijs._
Neem eens aan, indien ge dit kunt (als ge dit namelijk ontkent)
dat er iets in een of ander attribuut Gods uit den aard
opzichzelf van ditzelfde attribuut kon voortvloeien dat eindig
ware en een beperkt bestaan of duur had, bijvoorbeeld de
voorstelling van God in het Denken[A23]. Het Denken nu bestaat,
aangezien het voorondersteld wordt een attribuut Gods te zijn,
noodwendig (_vlg. St. XI_) krachtens zijn oneindigen aard.
Evenwel wordt het hier, voor zoover het de voorstelling Gods
omvat, als eindig gesteld. Maar als eindig kan het (_vlg. Def.
II_) niet worden begrepen tenzij het door het Denken zelf beperkt
worde. Niet echter door het Denken zelf voorzoover dit de
voorstelling Gods vormt, als zoodanig immers wordt het juist
voorondersteld eindig te zijn; derhalve door het Denken
voorzoover het _niet_ de voorstelling Gods vormt, welk Denken
evenwel toch (_vlg. St. XI_) met noodwendigheid moet bestaan; er
zou dus een Denken bestaan dat de voorstelling Gods niet insloot
en derhalve zou uit zijnen aard, voor zoover dit niets dan Denken
is, niet noodzakelijk de voorstelling Gods voortvloeien. (Immers
er werd één Denken aangenomen dat de voorstelling Gods wèl en een
ander dat haar nìet omvatte). Dit strijdt tegen het onderstelde.
Zoodat, wanneer de voorstelling Gods in het Denken, of (want
tenslotte is het hetzelfde wat men neemt, aangezien de
bewijsvoering algemeen geldig is) iets anders in eenig ander
attribuut Gods, uit de noodwendigheid van den aard op-zich-zelf
van dit attribuut voortvloeit, dit [gevolg] ook noodzakelijk
oneindig moet zijn. Dit wat het eerste punt betreft.
Voorts kan datgene wat uit de noodwendigheid van den aard eens
attribuuts aldus voortvloeit, geen beperkten duur hebben. Indien
ge dit ontkent, stel dan een ding dat uit de noodwendigheid van
eenig attribuut voortvloeit en bestaat in een of ander attribuut
Gods, bijvoorbeeld de voorstelling Gods in het Denken en
onderstel dat het ééns nìet heeft bestaan of niet bestaan zal.
Daar nu ondersteld wordt dat het Denken een attribuut Gods is,
moet het zoowel noodwendig als onveranderlijk bestaan (_vlg. St.
XI en Gevolg II St. XX_). Dus zal er buiten de grenzen van den
duur der voorstelling Gods (immers er werd aangenomen dat deze
eens niet bestond of niet zal bestaan) een Denken zonder
voorstelling Gods moeten bestaan. Dit echter is tegen het
onderstelde; immers er werd ondersteld dat uit het gegeven Denken
noodwendig de voorstelling Gods voortvloeide. Derhalve kan de
voorstelling Gods in het Denken, of iets anders dat met
noodwendigheid uit den aard op-zichzelf van een of ander
attribuut Gods voortvloeit, geen beperkten duur hebben, maar moet
het, krachtens dit attribuut zelf, eeuwig zijn. Dit wat het
tweede punt betreft.
Men merke op dat ditzelfde geldt voor elk ander ding dat in een
of ander attribuut Gods uit den aard Gods op-zichzelf met
noodwendigheid voortvloeit.
_Stelling XXII._
Al wat voortvloeit uit eenig attribuut Gods, voorzoover het zich
openbaart in een zoodanige bestaanswijze [wijziging], welke
krachtens dit attribuut noodwendig en oneindig bestaat, moet zelf
eveneens noodwendig en oneindig bestaan.
_Bewijs._
Het bewijs dezer stelling wordt op dezelfde wijze geleverd als
dat der voorgaande.
_Stelling XXIII._
Elke bestaanswijze, welke noodwendig en oneindig bestaat, moet
noodzakelijk voortvloeien òf uit den aard op zichzelf van eenig
attribuut Gods òf uit eenig attribuut, zich openbarend in een
vorm welke noodwendig en oneindig bestaat[A24].
_Bewijs._
Een bestaanswijze immers bestaat in iets anders, waaruit het
begrepen kan worden (_vlg. Def. V_), d.w.z. (_vlg. St. XV_) zij
bestaat uitsluitend in God en kan uit God alleen begrepen worden.
Indien men dus een bestaanswijze aanneemt welke noodwendig
bestaat en oneindig is, moet elk van deze beide eigenschappen
noodzakelijk worden opgemaakt of begrepen[A25] uit een of ander
attribuut Gods voor zoover dit wordt opgevat als uitdrukkende de
oneindigheid en noodwendigheid van zijn bestaan, of wel (_wat
vlg. Def. VIII hetzelfde is_) de eeuwigheid; d.w.z. (_vlg. Def.
VI en St. XIX_) voor zoover het als uitsluitend op zichzelf
beschouwd wordt. Een bestaanswijze dus welke noodwendig en
oneindig bestaat, moet uit den aard op-zichzelf van eenig
attribuut Gods voortvloeien; en dat wel òf onmiddellijk
(_waarover in St. XXI_) òf door bemiddeling van een of anderen
verschijningsvorm [wijziging] welke uit deszelfs aard op-zichzelf
voortvloeit, d.w.z. (_vlg. de voorgaande St._) welke eveneens
noodwendig en oneindig bestaat. H.t.b.w.
_Stelling XXIV._
Het wezen van de door God voortgebrachte dingen, sluit geen
bestaan in zich.
_Bewijs._
Dit blijkt uit _Def. I._ Datgene immers, welks aard (namelijk op
zichzelf beschouwd) het bestaan in zich sluit, is zijns zelfs
oorzaak en bestaat alleen krachtens de noodwendigheid van zijnen
aard zelf.
_Gevolg:_ Hieruit volgt dat God niet slechts de oorzaak
ervan is, dat de dingen beginnen te bestaan; maar ook dat
zij in hun bestaan volharden, ofwel (om een scholastieke
uitdrukking te gebruiken) dat God de oorzaak is van het
"Zijn" [Aanzijn] der dingen. Want, of de dingen bestaan
danwel niet bestaan: zoo dikwijls wij op hun wezen
letten, zien wij dat dit noch bestaan noch duur in zich
sluit; derhalve kan hun wezen ook noch van hun bestaan,
noch van hun duur de oorzaak zijn; doch uitsluitend God,
daar slechts tot dìens aard het bestaan behoort. (_Vlg.
Gevolg I St. XIV_).
_Stelling XXV._
God is niet alleen de bewerkende oorzaak van het bestaan der
dingen, maar ook van hun wezen.
_Bewijs._
Indien ge dit ontkent zou God dus niet de oorzaak zijn van het
wezen der dingen; derhalve zou (_vlg. Ax. IV_) het wezen der
dingen zonder God begrepen kunnen worden; hetgeen evenwel (_vlg.
St. XV_) ongerijmd is. Dus is God óók de oorzaak van het wezen
der dingen. H.t.b.w.
_Opmerking:_ De waarheid dezer stelling volgt nog
duidelijker uit Stelling XVI. Uit deze immers volgt dat
uit den gegeven goddelijken aard zoowel het wezen als het
bestaan der dingen noodzakelijk moet worden afgeleid; en,
om het in één woord te zeggen: in dienzelfden zin waarin
men zegt dat God zijns zelfs oorzaak is, moet hij ook de
oorzaak van alle dingen genoemd worden, hetgeen nog
duidelijker zal blijken uit het onderstaande gevolg.
_Gevolg:_ De bijzondere dingen zijn niets anders dan
openbaringen van Gods attributen, of wel bestaanswijzen
in welke Gods attributen op een vaste en bepaalde wijze
worden uitgedrukt. Het bewijs blijkt uit _Stelling XV_ en
_Definitie V_.
_Stelling XXVI._
Een ding dat tot een of andere werking genoopt is, wordt hiertoe
noodzakelijk door God gedreven; evenzoo: wat niet door God
genoodzaakt wordt, kan uit zichzelf niet werken.
_Bewijs._
Datgene, waarvan men kan zeggen dat het de dingen tot werken
noopt, moet noodzakelijk iets positiefs zijn (gelijk vanzelf
spreekt); derhalve moet God zoowel van het wezen als van het
bestaan hiervan de bewerkende oorzaak zijn (_vlg. St. XXV en St.
XVI_). Dit wat het eerste betreft. Waaruit eveneens ten
duidelijkste volgt, wat in de tweede plaats gesteld werd. Want
indien een ding, dat niet door God gedreven werd, zichzelf kon
richten, zou het eerste deel dezer stelling valsch zijn, hetgeen,
gelijk wij aantoonden ongerijmd is.
_Stelling XXVII._
Een ding dat door God tot eenigerlei werking genoodzaakt is, kan
zichzelf niet aan die noodzaak onttrekken.
_Bewijs._
De waarheid dezer stelling blijkt uit het derde Axioma.
_Stelling XXVIII._
Elk bijzonder ding, of elk ding dat eindig is en een beperkt
[afhankelijk] bestaan heeft, kan niet bestaan, noch tot werking
genoodzaakt worden, tenzij het tot bestaan en werking genoodzaakt
worde door een ander ding, hetwelk eveneens eindig is en een
afhankelijk bestaan heeft: en deze oorzaak op haar beurt kan niet
bestaan, noch tot werking genoodzaakt worden tenzij zij wederom
door een ander ding, hetwelk eveneens eindig is en een
afhankelijk bestaan heeft, tot bestaan en werking worde
genoodzaakt, en zoo tot in het oneindige.
_Bewijs._
Al wat tot bestaan en werking genoodzaakt is, werd daartoe
genoodzaakt door God (_vlg. St. XXVI en Gevolg St. XXIV_). Maar
datgene wat eindig is en een afhankelijk bestaan heeft, kon niet
uit den aard op-zichzelf van eenig attribuut Gods voortvloeien;
immers al wat uit den absoluten aard van eenig attribuut Gods
voortvloeit, is oneindig en eeuwig (_vlg. St. XXI_). Dus zal het
moeten voortvloeien uit God, of wel uit een zijner attributen,
voorzoover dit beschouwd wordt als zich openbarende in een of
andere bestaanswijze; immers buiten de substantie en hare
bestaanswijzen is er niets (_vlg. Ax. I en Def. III en V_); en de
bestaanswijzen zijn (_vlg. Gevolg St. XXV_) niets anders dan
openbaringen van Gods attributen. Maar uit God, of uit een of
ander zijner attributen, voorzoover het zich openbaart in een
vorm welke eeuwig en oneindig is, kan het ook niet voortvloeien
(_vlg. St. XXII_). Het zal dus moeten voortvloeien, of tot
bestaan en werking genoodzaakt worden, door God of een zijner
attributen, voorzoover dit zich openbaart in een vorm welke
eindig is en een afhankelijk bestaan heeft. Dit wat eerste
betreft.
Voorts moet deze oorzaak of deze bestaanswijze op haar beurt (_om
dezelfde reden als ik in het eerste gedeelte dezer stelling reeds
uiteen zette_) eveneens bepaald worden door een andere, welke
eveneens eindig is en een afhankelijk bestaan heeft, en deze
laatste wederom (_om dezelfde reden_) door een andere en zoo (_om
dezelfde reden_) voort tot in het oneindige. H.t.b.w.
_Opmerking:_ Daar sommige dingen door God onmiddellijk
moeten zijn voortgebracht, en wel die dingen welke
noodwendig uit zijn absoluten aard voortvloeien; en door
tusschenkomst van deze eerste dingen de andere, welke
nochtans zonder God noch bestaanbaar noch denkbaar zijn;
volgt hieruit ten eerste: dat God de absoluut naaste
oorzaak is der dingen welke onmiddellijk door hem zijn
voortgebracht, hoewel niet, zooals men zegt, der dingen
in hun soort. Want de werkingen Gods kunnen niet zonder
hun oorzaak bestaan noch gedacht worden. (_Vlg. St. XV en
Gevolg St. XXIV_).
Er volgt ten tweede uit dat God niet in eigenlijken zin
de verwijderde oorzaak der bijzondere dingen genoemd kan
worden, tenzij wellicht om deze te onderscheiden van
diegene welke hij onmiddellijk voortbracht, of liever
welke uit zijn absoluten aard voortvloeien. Want onder
een verwijderde oorzaak verstaan wij een zoodanige, welke
met hare uitwerking op geenerlei wijze verbonden is. Maar
al wat is, is in God en hangt op zoodanige wijze van hem
af dat het zonder hem noch bestaanbaar noch denkbaar is.
_Stelling XXIX._
In de wereld der dingen bestaat niets toevalligs, maar alles
wordt krachtens de noodwendigheid van den goddelijken aard
genoodzaakt op bepaalde wijze te bestaan en te werken.
_Bewijs._
Al wat is, is in God (_vlg. St. XV_): God echter kan niet iets
toevalligs genoemd worden. Want hij bestaat (_vlg. St. XI_)
noodwendig, niet echter toevallig. De bestaanswijzen van den
goddelijken aard zijn dus uit dezen eveneens noodwendig en niet
slechts toevallig voortgekomen (_vlg. St. XVI_) en dat wel
voorzoover de goddelijke aard òf op-zichzelf (_vlg. St. XXI_) òf
als op een bepaalde wijze tot werken genoopt beschouwd wordt
(_vlg. St. XXVII_). Voorts is God niet slechts de oorzaak dezer
bestaanswijzen voorzoover zij gewoon maar bestaan (_vlg. Gevolg
St. XXIV_), maar ook (_vlg. St. XXVI_) voorzoover zij beschouwd
worden als genoodzaakt iets te doen. Want indien zij (_vlg.
dezelfde St._) niet door God daartoe genoodzaakt werden, is het
onmogelijk, en geenszins gebeurlijk, dat zij zichzelf daartoe
noodzaakten; en omgekeerd (_vlg. St. XXVII_): indien zij wèl door
God daartoe genoodzaakt werden, is het onmogelijk, en geenszins
gebeurlijk, dat zij zich aan die noodzaak onttrokken. Zoodat
alles krachtens de noodwendigheid van den goddelijken aard
genoodzaakt is niet slechts om te bestaan, maar ook om op
bepaalde wijze te bestaan en te werken en er dus niets toevalligs
bestaat. H.t.b.w.
_Opmerking:_ Alvorens ik verder ga, wil ik hier uiteen
zetten of liever in herinnering brengen wat wij moeten
verstaan onder de "Naturende Natuur" en de "Genatuurde
Natuur"[A26]. Want uit het voorgaande is het dunkt mij
toch zeker wel duidelijk geworden dat wij onder
"Naturende Natuur" moeten verstaan datgene wat op
zichzelf bestaat en uit zichzelf begrepen kan worden,
ofwel zoodanige attributen der substantie, welke een
eeuwig en oneindig wezen uitdrukken, dat wil zeggen
(_vlg. Gevolg I St. XIV en Gevolg II v. St. XVII_) God,
voorzoover hij als vrije oorzaak beschouwd wordt. Onder
"Genatuurde Natuur" daarentegen versta ik al datgene wat
uit de noodwendigheid van Gods aard of van eenig
attribuut Gods voortvloeit, dat wil zeggen alle
bestaanswijzen der attributen Gods voorzoover zij
beschouwd worden als dingen die in God bestaan en zonder
God noch bestaanbaar noch denkbaar zijn.
_Stelling XXX._
Het verstand, hetzij eindig of oneindig in zijn werking, kan
slechts de attributen Gods en de bestaanswijzen Gods bevatten en
niets anders.
_Bewijs._
Een ware voorstelling moet overeenkomen met het door haar
voorgestelde (_vlg. Ax. VI_) d.w.z. (_gelijk vanzelf spreekt_)
datgene wat objectief[A20] in het verstand aanwezig is moet ook
noodzakelijk in de natuur bestaan. In de natuur evenwel bestaat
(_vlg. Gevolg I St. XIV_) niets dan één enkele substantie,
namelijk God, noch (_vlg. St. XV_) eenigerlei andere
bestaanswijzen dan die welke in God zijn en welke (_vlg. dezelfde
St._) zonder God noch bestaanbaar noch denkbaar zijn; derhalve
kan het verstand, hetzij eindig of oneindig in zijn werking,
slechts de attributen Gods en de bestaanswijzen Gods bevatten en
niets anders. H.t.b.w.
_Stelling XXXI._
Een werkend verstand, hetzij eindig of oneindig, moet evenals
wil, begeerte, liefde enz. behooren tot de genatuurde natuur en
niet tot de naturende.
_Bewijs._
Onder verstand immers verstaan wij (_gelijk vanzelf spreekt_)
niet het absolute Denken, maar slechts een bepaalden vorm van
denken, welke vorm verschilt van andere denkvormen als begeerte,
liefde enz. en dus (_vlg. Def. V_) uit het absolute Denken
begrepen moet worden; immers het moet (_vlg. St. XV en Def. VI_)
uit een attribuut Gods dat het eeuwige en oneindige wezen des
Denkens uitdrukt, aldus worden begrepen dat het zonder dit noch
bestaanbaar noch denkbaar is; en derhalve moet het (_vlg.
Opmerking St. XXIX_) behooren tot de genatuurde natuur, niet
echter tot de naturende, en evenzoo de overige vormen van denken.
H.t.b.w.
_Opmerking:_ De reden waarom ik hier sprak van een
_werkend_ verstand, is niet dat ik toegeef dat er eenig
verstand-als-vermogen[A27] zou bestaan; maar, wijl ik
alle verwarring wensch te vermijden, heb ik slechts
willen spreken over een zaak welke ons zoo duidelijk
mogelijk is, nl. over het begrijpen zelf, klaarder dan
hetwelk wij niets kennen. Immers al wat wij leeren kennen
leidt wederom tot nog volmaakter kennis van het
begrijpen.
_Stelling XXXII._
Men kan den wil geen vrije oorzaak heeten, doch alleen een
noodzakelijke.
_Bewijs._
De wil is een bepaalde vorm van denken, evenals het verstand; en
derhalve (_vlg. St. XXVIII_) kan een of andere willing[A42] niet
bestaan, noch tot werking genoodzaakt worden, tenzij door een
andere oorzaak, en deze op haar beurt weer door een andere, en
zoo voort tot in het oneindige. Want al werd ondersteld dat de
wil oneindig was, dan moest hij toch ook door God tot bestaan en
werken genoodzaakt worden, niet voorzoover God de absoluut
oneindige substantie is, maar voorzoover hij een attribuut heeft
dat het oneindige en eeuwige wezen des Denkens uitdrukt (_vlg.
St. XXIII_). Op welke wijze hij dus ook wordt opgevat, hetzij
eindig of oneindig, steeds eischt hij eene oorzaak waardoor hij
tot bestaan en werken genoodzaakt wordt en derhalve kan hij
(_vlg. Def. VII_) geen vrije oorzaak genoemd worden, maar alleen
een noodzakelijke of afhankelijke.
_Gevolg I:_ Hieruit volgt ten eerste, dat God niet werkt
krachtens vrijheid van wil.
_Gevolg II:_ Er volgt ten tweede uit, dat wil en verstand
in dezelfde verhouding staan tot Gods aard als beweging
en rust en volkomen als alle andere natuurlijke dingen,
welke (_vlg. St. XXIX_) door God op bepaalde wijze tot
bestaan en werken genoodzaakt moeten worden. Want de wil
heeft, evengoed als alle andere dingen, een oorzaak
noodig door welke hij op bepaalde wijze tot bestaan en
werken wordt genoodzaakt. En ofschoon uit wil en
verstand, eenmaal gegeven, oneindig veel voortvloeit, kan
men daarom toch evenmin zeggen dat God handelt uit
vrijheid van wil, als dat men wegens al wat uit beweging
en rust voortkomt (en dat is immers eveneens oneindig
veel) zou kunnen zeggen dat hij handelt uit vrijheid van
beweging of rust. Derhalve behoort de wil niet éér tot
den aard Gods dan de overige natuurlijke dingen, maar
staat hij tot dezen in dezelfde verhouding als beweging
en rust en al het overige waarvan wij aantoonden dat het
uit de noodwendigheid van den goddelijken aard
voortvloeit en door dezen op bepaalde wijze tot bestaan
en werken wordt genoodzaakt.
_Stelling XXXIII._
De dingen hadden door God op geen andere wijze, noch in andere
orde, voortgebracht kunnen worden, dan zij inderdaad
voortgebracht zijn.
_Bewijs._
Alle dingen immers zijn (_vlg. St. XVI_) met noodwendigheid uit
den gegeven aard Gods voortgevloeid en worden door de
noodwendigheid van Gods aard tot een bepaalde wijze van bestaan
en werken genoodzaakt (_vlg. St. XXIX_). Indien dus de dingen van
anderen aard konden zijn, of op andere wijze tot werking
genoodzaakt konden worden, zoodat de orde der natuur een andere
ware, dan zou ook Gods aard een andere kunnen zijn dan hij is;
maar deze andere aard zou dan (_vlg. St. XI_) eveneens moeten
bestaan en bijgevolg zouden er twee of meer godheden kunnen
bestaan, hetgeen (_vlg. Gevolg I St. XIV_) ongerijmd is.
Derhalve hadden de dingen door God op geen andere wijze, noch in
andere orde, enz. H.t.b.w.
_Opmerking I:_ Ofschoon ik hiermede meer dan zonneklaar
heb aangetoond dat er volstrekt niets in de dingen is,
weswegen zij toevallig genoemd konden worden, wil ik toch
nog met enkele woorden verklaren wat wij onder het
_Toeval_ hebben te verstaan; eerst echter wat onder het
_Noodwendige_ en _Onmogelijke_. Een ding wordt noodwendig
genoemd òf ten opzichte van zijn wezen, òf ten opzichte
van zijn oorzaak. Immers het bestaan van een of ander
ding vloeit noodzakelijk voort òf uit zijn wezen en
definitie, òf uit een gegeven bewerkende oorzaak. Voorts
kan een ding om deze zelfde redenen ook onmogelijk
genoemd worden, te weten òf omdat zijn wezen of definitie
een tegenstrijdigheid insluit, òf omdat er geen enkele
uitwendige oorzaak bestaat welke genoodzaakt is zulk een
ding voort te brengen. Een of ander ding nu wordt op geen
anderen grond toevallig genoemd, dan met het oog op de
gebrekkigheid onzer kennis. Een ding immers waarvan wij
niet weten of zijn wezen een tegenstrijdigheid insluit,
of waarvan wij zeker weten dat het géén tegenstrijdigheid
insluit, maar omtrent welks bestaan wij niettemin niets
stelligs kunnen zeggen, omdat de reeks zijner oorzaken
ons verborgen is; zulk een ding kan door ons nooit als
noodwendig, noch als onmogelijk worden beschouwd, zoodat
wij het òf toevallig, [gebeurlijk] òf mogelijk noemen.
_Opmerking II:_ Uit het voorgaande volgt duidelijk dat de
dingen door God in hoogste volmaaktheid zijn
voortgebracht, aangezien zij met noodwendigheid uit een
gegeven allervolmaaktsten aard zijn voortgevloeid, en
hierdoor wordt God allerminst van eenigerlei
onvolmaaktheid beticht; immers zijn volmaaktheid zelf
dwingt ons juist dit te erkennen. Ja, uit het tegendeel
hiervan zou juist volgen (_gelijk ik zooeven heb
aangetoond_) dat God nìet allervolmaaktst was, daar
immers, indien de dingen op andere wijze waren
voortgebracht, aan God een andere aard moest worden
toegekend, verschillend van dien, welken wij op grond der
beschouwing van het allervolmaaktste wezen gedwongen zijn
hem toe te schrijven. Ik twijfel er wel niet aan of velen
zullen deze uitspraak als ongerijmd verwerpen en haar
niet in overweging willen nemen, en dat om geen andere
reden dan wijl zij gewoon zijn aan God een andere soort
van vrijheid toe te kennen, grootelijks verschillend van
die welke door ons (_in Def. VII_) werd omschreven,
namelijk een volslagen willekeur. Maar ik twijfel er
evenmin aan of zij zullen, indien zij de zaak slechts
willen overdenken en de reeks van onze bewijsvoeringen
behoorlijk overwegen, nochtans deze vrijheid welke zij
God toedichten, niet slechts als kinderachtig, maar zelfs
als een groote belemmering voor de wetenschap gansch en
al verwerpen. Het is niet noodig dat ik datgene, wat ik
in de Opmerking bij Stelling XVII gezegd heb, hier
herhaal. Maar ik wil niettemin ten hunnen gevalle nog
bewijzen dat, al werd toegegeven dat "wil" tot Gods wezen
behoorde, uit zijn volmaaktheid nochtans zou voortvloeien
dat de dingen op geen enkele andere wijze, noch in andere
orde, door God geschapen hadden kunnen worden, hetgeen
gemakkelijk zal zijn aan te toonen indien wij in de
eerste plaats overwegen wat deze lieden zelf toegeven,
namelijk dat het alleen van Gods besluit en wil afhangt
dat eenig ding is wat het is. Immers anders zou God nìet
de oorzaak van alle dingen zijn. Voorts dat al Gods
besluiten van eeuwigheid af door God zelf zijn
bekrachtigd. Immers anders kon hij van onvolmaaktheid en
onstandvastigheid beticht worden. Maar aangezien er in de
eeuwigheid geen wanneer, geen vroeger of later bestaat,
volgt hieruit, d.w.z. uit Gods volmaaktheid zelf, dat God
nooit iets anders kan besluiten, noch zulks ooit gekund
heeft, ofwel dat God niet bestond vóór zijn besluiten,
noch zonder hen kan bestaan.